Een dochter van elf, op de drempel van de middelbare school, die ineens alleen nog maar ‘ja, is goed’ zegt terwijl haar blik vooral ‘nee, absoluut niet’ betekent.

Een zoon van negen die élk steentje, takje en insect bekijkt alsof hij in dienst is van het Natuurhistorisch Museum.

En een dochter van zeven, met haar eigen tempo en energie, die precies weet wanneer het genoeg is… en dat meestal al aangeeft als we nét onderweg zijn.

We zitten in Duitsland.

Niet in zo’n grootstad-met-kerstmarkten-Duitsland, maar in het soort bergachtig gebied waar de lucht knisperend fris is en je mobiel op sommige plekken ‘geen service’ aangeeft. (Stiekem heerlijk, al durf ik dat niet te hardop te zeggen.)

Ons vakantiehuisje kijkt uit over heuvels die elke ochtend anders lijken. Soms mistig, soms felgroen in de zon, soms allebei tegelijk.

Wandelen betekent: één kind vooruit, één kind achterop, en eentje die onderweg vraagt hoeveel bochten het nog zijn.

In de eerste tien minuten zijn we al drie keer gestopt: om veters te strikken, een berggeit te spotten (die er uiteindelijk niet was), en een gevonden stok uit te kiezen die per se mee moet.

En toch… dat moment dat je daar staat, samen, met rode wangen en modder op je broek, is er iets. Een stille trots.

Het dorp beneden is een cadeautje op zich.

Een bakker die ons elke ochtend met “Morgen!” begroet alsof we vaste klanten zijn.

Een speeltuin waar de glijbaan uitzicht heeft op bergen en waar de kinderen ineens uren zoet zijn.

Een ijszaak waar de bollen zó groot zijn dat de jongste het halve hoorntje moet afgeven aan haar broer.

En ergens, tussen natte wandelsokken, gedeelde chocoladerepen en momenten waarop ik geen foto maak omdat ik het gewoon wil onthouden, voel ik het.

Dat kleine, zachte geluk dat nergens van afhankelijk is.

Een moment dat zegt: we doen het gewoon, samen, op onze manier.

En dat is misschien wel de mooiste vorm van vakantie die er bestaat.

Dus ja, dit is ons en dat is alles.

Privacy Preference Center