Soms hoor ik mezelf praten en denk ik: nou, daar gáán we weer. Alsof mijn stem vastzit op repeat. Zelfde woorden. Zelfde toon. Alleen het moment is alweer te laat. Mijn kind is al afgehaakt. Of overprikkeld. Of gewoon op. En ik? Ik ook. Maar toch probeer ik het. Nog één uitleg. Nog één poging om helder te maken wat ik bedoel, alsof het met net wat andere woorden wél aankomt.

Want ja, ik wil dat ze me snapt. Dat het landt. Dat ze zich gezien voelt. Maar eerlijk? Soms voelt stoppen met praten alsof ik opgeef. Alsof ik het dan maar laat zitten. Terwijl ik juist zo m’n best doe.

En het gekke is of eigenlijk het vermoeiende, dat het niet eens het gedrag van mijn kind is dat me sloopt. Het is het herhalen. Het eindeloos schakelen. Het telkens weer dat ene zinnetje eruit persen terwijl mijn hoofd eigenlijk al lang leeg is.

Soms sta ik daar in de keuken, met een theedoek in m’n hand en een hoofd als een rommelzolder, en besef ik ineens: dit gesprek werkt niet meer. Niet nu. Niet terwijl er ruzie is om een beker, of de energie op is na een volle dag therapie, of ik op m’n tandvlees loop.

Maar toch ga ik door. Nog een keer uitleggen. Alsof het daarvan beter wordt. En ik weet heus wel ergens, diep vanbinnen, dat het nu niet het moment is. Maar stoppen voelt onveilig. Want als ik niks zeg, wie stuurt het dan bij?

Dus ja. Ik blijf praten. Ook als ik eigenlijk weet dat het nergens meer heen gaat. En dat is geen falen. Dat is liefde, vermomd als herhaling.

Privacy Preference Center