Tot een paar weken geleden ging het eigenlijk prima. We hadden een avondritueel waar niets op aan te merken viel: tandenpoetsen, boekje lezen, even praten, lamp uit. En dan was het stil. Echt stil.
Maar ineens heeft meneer van negen een nieuw avondprogramma. Vijf minuten na het uitdoen van het licht floept het weer aan. En dan begint het. Geritsel, geklik, een zachte zucht, wat gemompel. En voor ik het weet, hoor ik de vertrouwde “klik” van Lego-blokjes die op missie zijn. In z’n bed.
Overdag zie je het terug. Hij is sneller boos, heeft weinig geduld, en richting het einde van de dag stapelt de vermoeidheid zich op — niet alleen bij hem, maar ook bij de rest van het gezin. Zijn zusje leeft met hem mee, letterlijk. Als hij gespannen is, is zij dat ook. Het is net domino, maar dan met emoties.
Is dit een fase? Ik denk het wel. Negen is de leeftijd waarop ze groter lijken dan ze zijn. Ze willen meer zelf bepalen, meer grip op hun dag, meer ruimte om te denken en te voelen — maar hun lijf vergeet even dat slaap daar óók bij hoort.
Dus bouwen we na bedtijd nog even door. Aan ruimteschepen, verhalen en zelfstandigheid. Hij zoekt de regie, zijn eigen tempo, zijn manier om de dag af te sluiten.
En ik? Ik adem even diep in. Kijk naar die bouwplaats op het nachtkastje. En zeg: “Morgen weer verder, oké?”
Hij knikt. Niet omdat ik het zeg, maar omdat hij het besluit.
En dat, vermoed ik, is precies de kern van negen zijn.
