Je ziet ze weer lopen. Moeders in sportieve outfits die duidelijk geen sportieve outfits zijn. Vaders met buggy’s die tegen hun wil zijn opgezadeld met een “gezellig loopje”. En dan natuurlijk: de kinderen. Zingend, rennend, zwetend, struikelend over hun eigen veters én jouw grens van geduld.
Welkom bij de avondvierdaagse.
Of, zoals ouders het stiekem noemen: vier dagen vrijwillig kapotgaan voor een medaille van plastic en een snoepketting die je kind binnen 12 minuten naar binnen werkt.
Dag 1 begint altijd onschuldig. Je laadt je kind vol trots in en denkt: “Wat gezellig dat we dit samen doen.”
Dag 2 ontdek je dat je verkeerde schoenen aan hebt.
Dag 3? Dan begin je te twijfelen aan alles in het leven, inclusief je keuze voor voortplanting.
En tegen de tijd dat dag 4 aanbreekt, loop je alleen nog op wilskracht, suikerrestanten en de dreiging van sociale controle als je zou afhaken.
Heb je een kind in een rolstoel? Dan mag je daar nog een extra moeilijkheidsgraad aan toevoegen:
Slalommen tussen mensen die blijven stilstaan midden op het pad, stoepjes op zonder afrit, grasvelden in waar je wielen niet doorheen komen en steentjes die ineens aanvoelen als een bergpas.
En intussen blijven glimlachen, want: “Wat knap dat jullie meedoen!”
En dan, als klap op de vuurpijl, dat “feestelijke einde”:
Kind blij – of compleet overprikkeld, jankend met een halflege snoepketting in de hand.
Jij kapot.
En dan roept iemand enthousiast:
“Wat bijzonder hè, zo’n gezamenlijk moment met je kind?”
Ja.
Bijzonder. Zoals een wortelkanaalbehandeling zonder verdoving ook best bijzonder is.
Toch doe je het. Elk jaar weer.
Omdat je kind straalt. Omdat iedereen het doet. Omdat er ranja is.
En omdat niemand ooit hardop zegt wat we allemaal denken:
Dit is geen wandeltocht.
Dit is een vierdaags looptrauma verpakt als liefde.
